De waarheid als bijgerecht

Het eerste kortverhaal dat ik een literair tijdschrift heb ingeluld. Als ik het nu herlees blijkt het mij iets te filosofisch, plotloos en “literair”. (Stelt u zich Luc Janssen voor die dat laatste woord debiteert)

Onder het motto “Er zijn altijd wel mensen die zoiets leuk vinden” plaats ik het hier toch. (en zal ik alle, ja zelfs de meest schaamtelijke, pennenvruchten uit mijn verleden hier ooit wel eens plaatsen)

Mijn toenmalig lief, dat ook de huidige is, was op het ogenblik dat ik dit verhaal schreef tien weken op stage in Ghana. Vandaar de negerfluiten.

Dit verhaal stond, in licht gewijzigde versie, in De Brakke Hond nr. 94 in de lente van 2007.

De Waarheid als bijgerecht

Ze hadden hem ooit omschreven als “kalm” en “nonchalant”. Dat was goed. Hij deed zijn best om kalm en nonchalant te zijn.

Kalm en nonchalant verruilde hij de warmte van de taxi voor miezerige regen. Hij wist van regen die het gezicht van mensen kuste, maar dat was niet wat de regen nu bij hem deed. Het was eerder likken. Lauw en lang.

Eenmaal binnen liet hij de portier zijn mantel aannemen alsof hij nooit anders had gedaan. Alsof hij zich al lang had neergelegd bij de onstuitbare drang van mensen om zijn mantel aan te nemen, zijn glas te vullen, zijn zegelring te kussen, enzovoort.

De portier boog lichtjes en maakte een volg-mij-alstublieft-meneer gebaar. Om de portier niet teleur te stellen ging Zieke Arend op dat gebaar in. Het was niet nodig dat hij naar zijn tafel geleid werd. Hij had een eigen tafel. Hij kende de weg. Die eigen tafel werd elke vrijdagavond tussen acht en tien voor hem vrijgehouden. Niemand anders kon op dat precieze ogenblik aan die precieze tafel in dat restaurant zitten. In dat opzicht was Zieke Arend uniek. Zo had hij voor zichzelf nog talloze andere eilandjes van alleenrecht gecreëerd: in toneelzalen, aan togen, bij meisjes, al dan niet betaald, bij de kapper, enzovoort.

Hij liet zich sowieso graag leiden door de portier. Het gaf hem een gevoel van onmisbaarheid. De portier had hem nodig. Zijn job zou overbodig zijn zonder hem. Zonder hem kon die man niet voorzien in zijn levensonderhoud. De portier was er natuurlijk niet exclusief voor Zieke Arend. Eenmaal bij de tafel zou de portier Zieke Arend achterlaten om anderen te gaan leiden. De hoer.

Zieke Arend dacht aan mensen. Mensen die hij op geregelde basis ontmoette. Geen enkele had de taak op zich genomen om uitsluitend Zieke Arend te leiden, laat staan dat één van hen zich liet beheren door hem. De enige die zich liet mennen, en ook af en toe de teugels in handen nam, was weg. Maar die zou terugkomen.

Koste wat kost.

Zijn tafel knipoogde naar hem. Haar orde lachte hem toe. Alles was zoals het moest zijn. Kaalheid en symmetrie verwelkomden hem met open armen.

Zieke Arend moest soms lachen om zijn streven naar structuur in alles wat hem omringde. Een goedkope manier om met chaos om te gaan, dat besefte hij, maar af en toe verwende hij zichzelf met een toegift aan zijn ondeugden. De Illusie construeren vergt regels en handleidingen.

Om diezelfde reden las hij ook de kaart, hoewel hij wist dat hij weer de steak zou nemen. En een karaf rode wijn. Uit eten gaan is immers een feestje.

Zieke Arend was een goed persoon om als leider te hebben. Hij was nooit echt boos of kwaadaardig, stuurde met zachte hand en lichte aansporingen en bekroonde goed gedrag met een overvloed aan positieve stimuli. Het enige waarin hij tekort schoot was delegeren. Hij wou alleenheerschappij en retributie, het occasionele offer (al dan niet menselijk), en devotie. Zieke Arend geloofde niet in geweld. Zieke Arend voelde zich te verheven om brute kracht te gebruiken. Emotionele manipulatie was zoveel gracieuzer, bood zoveel meer mogelijkheden. En werd misschien nooit als dusdanig ontmaskerd. Hij vond zichzelf niet altijd even tof als hij de keuzes die hij maakte nader bestudeerde, maar de verdragen waren al opgesteld en zijn hand met pen zweefde trillend boven het papier om ze met zijn handtekening te besmeuren.

Steak dus. Met champignonsaus.

De ober die zijn bestelling kwam opnemen was nieuw en had geen handen. Het vreemde was dat hij wel vingers had. Het leek alsof ze zijn handen bij de pols hadden afgezet en enkele vingers die te redden waren geweest aan de zijkant van zijn onderarmen genaaid hadden. Vijf in totaal: twee links en drie rechts. Hij kon dus nog quasi perfect zijn job uitoefenen, borden en plateaus vastklemmend met zijn klauwen. Als een kreeftje.

Goed voor hem. Maar op meer fooi moest hij niet hopen. Dat zou oneerlijk zijn tegenover de niet-misvormde werkkrachten. En eisten de verminkten niet steeds een gelijke behandeling van de onverminkten? Geen medelijden. Normaal bejegend worden. Niet uniek zijn. Opgaan in het geheel. Wie was Zieke Arend om de zorgvuldig aangebrachte rook van rond een anders hoofd te blazen terwijl hij voor zichzelf droog ijs bleef aanslepen? Met kilo’s tegelijk.

Zieke Arend bestelde, de ober verliet de tafel. Iemand in het restaurant dronk van een glas water en deelde haar tafelgenoten mee: “Hmmm, lekker! Ik drink graag water!”.

De man die boven alles stond liet zijn hoofd hangen.

Een golf van zurigheid maakte zich meester van Zieke Arends maag en slokdarm. Hij zocht in zijn zakken naar het buisje Gaviscon dat hij steeds bij zich droeg.

Reflux, een kwaal gezonden om slechte levensgewoontes te bestraffen. Plaag acht van de zeven, musketier vier van de drie.

Spijtig genoeg bestreed het medicijn alleen maar de symptomen en niet het kwaad, niet de aanleiding van het zuur. Soms dacht hij dat een dergelijk middel minstens de helft van de wereldbevolking zou decimeren.

Omdat hij niets beter te doen had bestudeerde Zieke Arend de bijsluiter van zijn wondermiddel. Het bleek om een aangepaste formule te gaan. “Aangepast aan wat?” vroeg hij zich af. Bovendien moest men deze tabletten buiten bereik én zicht van kinderen houden. Bereik, dat begreep hij wel, de dragees smaakten naar munt. Maar zicht? Blijkbaar was het onze taak om aftakeling en haar zusters buiten het gezichtsveld van kinderen te houden. Uit het oog, uit het hart. Hij moest denken aan een kortverhaal waarin verkeers –en andere doden verborgen werden voor onschuldige omstanders door grote, zwarte gordijnen die, meteen na hun overlijden, rond hen werden opgetrokken. Gordijnen tussen het sprookje van de winkelstraat en de harde kleuren van de dood.

Buiten bereik en zicht van kinderen houden. Laat hen uw rook niet inademen. Stel uw kinderen niet bloot aan subversieve elementen… Zoals andere culturen, Godsdiensten of, bij God, denkwijzen.

Zieke Arend had hoe dan ook nooit kinderen gewild. When the crowd say bo: selecta.

Rondom hem gingen de restaurantbezoeken door. Achterdochtig bekeek Zieke Arend de overige klanten. Ze waren iets van plan. Een meisje had een sweater aan met daarop de woorden: “Perfect Mates Couple”. Wat bedoelde ze daarmee? Wat bedoelden de makers daarmee? Zieke Arend wist dat gelijk wie hij de vraag stelde hem het antwoord schuldig zou blijven. En dat maakte hem misschien nog zieker.

Niemand van de aanwezigen verstopte zich niet onder zijn kleren, hoeveel vel sommigen onder hen ook toonden. Zo ook Zieke Arend. Kleding is de beste camouflage.

Zieke Arend was deftig gekleed, zoals elke vrijdagavond. Deftig genoeg om op restaurant te gaan. Aangepast aan wat de rest verwachte. Dat was nu bijna altijd zo, in tegenstelling tot vroeger. Toen was zijn kledij onaangepast, net als Zieke Arend zelf. Toen was de garderobe een filter. Mensen met wie Zieke Arend niet wou omgaan deden dat niet dankzij zijn klederdracht. Vroeger een filter, nu nog altijd een schild. Maar een schild dat niet meer opviel. Een doffer schild, met fletse kleuren.

Hij vroeg zich af hoe zij er over dacht. Waarschijnlijk volgden haar gedachten de geëikte paden: in het begin waren zijn kleren het eerste geweest wat haar opviel, en zijn gezicht, en zijn handelen, dan was dat alles maar gewoontjes geworden en nu waren ze waarschijnlijk niet goed genoeg meer. Zijn kleren, en zijn gezicht, en zijn handelen.

In een oud psychologietijdschrift in zijn kast stonden drie prentjes van dezelfde man met dezelfde kleren. Op de eerste afbeelding zag hij er uit als een filmster, onkreukbaar, op het tweede prentje doordeweeks en op het derde verfomfaaid. De onderschriften zegden: 1. Het uiterlijk zoals wij er zelf over denken, 2. Het uiterlijk zoals het door anderen wordt gepercipieerd, 3. Het uiterlijk zoals het wordt gepercipieerd door de levenspartner.

Zo was het maar net. De illusie vereist onderhoud.

Ze was in Afrika nu. Het donkere continent had nood aan redding. Blijkbaar kon het gered worden op zeventig dagen, nadien kwam ze terug. Nog tien. Dat had Zieke Arend op haar weblog gelezen.

Iedereen die dat wou kon daar ook een bericht achterlaten voor de onbesuisde avonturier. De meesten dachten dat Afrika iets was tussen Ibizza en een uitgaansbuurt in. “Amuseer je daar maar eens goed!”, “Drink er daar één van mij!”, “Geniet van het mooie weer!”.

Of ze dachten dat het continent het verloren aards paradijs was. “Ik wou dat ik daar ook was!”, “Profiteer maar van de mooie natuur!”, “Neem foto’s van de olifanten!”.

Het was er 45 graden en naast armoede en vuilnis was er vooral veel zand.

Al die drieste cybernauten dachten dat de illusie niet in Afrika was. Dat de mensen daar geen nood hadden aan het omzwachtelen van de realiteit. Ze leefden immers van het land. En de natuur was prachtig. Gebruikten ze daar dan kleren zoals wij misschien? Om het spookbeeld van status en welzijn op te roepen? Om zich beter te voelen? Om hun afkomst te maskeren?

Neen, wist Zieke Arend, maar wel maskers. En folklore.

In feite zitten de Afrikanen achter op hun waandenkbeelden. Zo kinderlijk en naïef zijn die denkbeelden dat we meewarrig het hoofd schudden en eens gniffelen als we er over horen. Ze worden gewoon niet herkend als versierselen, als dezelfde soort hersenschimmen die wij nodig hebben om het slepen dragelijker te maken.

Tegen de wind in pissen maakt je ziek. Haha! As op je gezicht maakt je immuun voor boze geesten. Die Afrikanen toch! Een menstruerende vrouw is onrein. Domme negers! Een maagd neuken (ook al is ze maar twee jaar oud) geneest je van AIDS. Oeioei!

Als we hen verwonden, bloeden ze dan ook niet? De illusie hecht geen belang aan ras.

Zieke Arend werd een beetje moe van al dat denken en was blij toen de ober de wijn bracht. De kreeftenklauwtjes hanteerden de karaf verbazingwekkend gracieus. Zieke Arend liet de wijn in zijn mond rond klotsen en stelde zich voor hoe de ober kreeft at. Mocht men kreeft niet met de hand eten? De wijn was vet.

Miste hij haar? In het begin wel. Nu niet echt meer. Het leek alsof hij een rouwperiode had doorgemaakt en nu al bij de zogeheten “closure” was aangekomen. Zieke Arend moest denken aan Hollanders die, te pas en te onpas, Engelse uitdrukkingen gebruikten en glimlachte.

Zou ze nog moeite doen om in zijn goocheltrucks te trappen? Na Zwart Afrika? Zwart, gespierd Afrika? Met een grote fluit?

Het zou waarschijnlijk een tijdje wennen zijn maar dan zou de exclusiviteit wel terugkeren. De verbondenheid en de grote liefde en de grote druk. Het kost moeite en tijd om alle luchtspiegelingen in stand te houden. Het was als jongleren: hij moest alle ballen in de gaten houden en mocht geen enkele door zijn vingers laten glippen. Het was als domino’s zetten: als er één viel was al het werk om zeep. En dan moet men nog in gedachten houden dat als alle stenen op hun plaats staan er niets anders meer rest dan de eerste een klein duwtje te geven. Spektakel verzekerd!

Misschien zou het makkelijker zijn als ze een minnaar nam. Met zijn goedkeuring natuurlijk. Dan zou de exclusiviteit er niet meer zijn. Of zou ze toch makkelijker te dragen zijn. Gedeelde smart is halve smart.

Zieke Arend zette even alle gedachten uit zijn hoofd en keek wat rond. Men moet niet altijd willen denken. Het restaurant was ingericht om knus te zijn. Knus en authentiek en dat was wat de meeste eters er waarschijnlijk ook van dachten. Van waar hij zat leek het of iedereen er in trapte. Hij wantrouwde ze daarvoor. Mensen die zich zo dom en volgzaam voordeden hadden zeker iets te verbergen. Zieke Arend voelde zich minder en minder op zijn gemak. En het eten moest nog komen.

Terwijl ze domme dingen deden en terwijl ze domme dingen zeiden gedroegen ze zich alsof ze de waarheid in pacht hadden. Zieke Arend had de waarheid niet in pacht, dat wist hij. Zieke Arend was de pachter zelve, die met strenge hand, stukjes waarheid toewees aan zij die er het beste mee zouden omspringen.

Maar waarom speelden ze dit spel? Waren ze echt zoals ze zich voordeden of deden ze alsof? Wat voerden ze in hun schild? Zieke Arend was vast van plan het te ontdekken. Hij was immers ook een ridder. Een leenheer was meestal een man van adel, of een ridder. Was het niet zijn taak onrecht te ontmaskeren? Om de zwakken te beschermen? Wat was het eenzaam op het witte paard.

Het beeld plezierde hem wel. Het was goed om een degelijk zelfbeeld te hebben. Hij was eerlijk! Hij was recht! Hij was de gever!

Spijtig genoeg kon hij minder goed liegen tegen zichzelf als de anderen. Soms is het geweten dat de illusie illusie is.

Op andere momenten was hij immers the black knight. De Zwarte Ridder. And none shall pass! Soms had hij zin om te hakken en te klieven en in de nacht rond te waren en te verkrachten en bloed te drinken en te ontdarmen en te roepen en te gillen en in de batmobiel rond te rijden…

Batman. Coole kerel.

Zieke Arend wiste wat zweet van zijn voorhoofd en keek naar de rug van zijn rechterhand. Hij wreef er over. Hij had altijd al een superheld willen zijn. Een geheime identiteit had hij al. Meer nog: hij had er honderden. Iedereen kende één Zieke Arend, maar die was telkens verschillend. En het was niet eens vermoeiend, het kwam vanzelf. Iedereen doet het, maar niemand wil het zien. En daar komen de problemen van. Als iemand even grip verliest op welk personage hij op dat ogenblik voor die bepaalde persoon moet zijn dan begint het roepen. Het wenen en het slaan en het roepen. Of alleen maar het beteuterd kijken.

De verschillende identiteiten niet erkennen kan verwarrend zijn. Ook voor jezelf. “Hoe heb ik haar in godsnaam kunnen slaan? Zo ben ik toch niet?” Dan breekt de dam, en komen de waterlanders en gaan er ego’s aan gort.

Zieke Arend wist. En informatie is macht. Wat een geluk voor hem.

Een superheld, dat zou nog eens iets geweest zijn. Tijdens zijn jeugd wachtte Ziek Arendje geduldig af tot zijn mutante krachten zich zouden manifesteren. Kunnen vliegen of desintegreren of messcherpe klauwen hebben die uit de rug van zijn handen tevoorschijn sprongen. Zoals Wolverine. Wolverine was duidelijk de stoerste en Ziek Arendje wou meer zoals Wolverine zijn dan zoals de andere superhelden. Omdat Wolverine sterk was. En niemand nodig had.

Omdat de mutante factor in zijn lichaam nog even op zich liet wachten fabriceerde Ziek Arendje dan maar zelf zijn klauwen, met een paar werkhandschoenen en ijzerdraad. Hij was nog nooit zo onvervaard geweest als toen hij die voor de eerste keer aantrok.

Vader en moeder Arend konden er niet mee lachen. Zij gaven niet om de illusie. Waarschijnlijk zijn ze daarom ook uit elkaar gegaan.

De muziek was muzak in het restaurant. Irritant, maar het moest zo.

Plots schoot door zijn hoofd dat het misschien beter was dat ze nooit terug kwam. Even rust, even geen luchtspiegelingen en om elkaar heen dansen en gevoeligheden en drab. Dat leek hem wel wat. Heel even maar.

Zieke Arend sloeg met zijn hand op tafel en de omliggende eters schrokken. Neen! Hij had het nodig! Zij! Terug!

Koste wat kost.

Zijn geluk was een steen die hij, net zoals Sisyphos, de berg op moest duwen. Eens de top genaderd, kan het enkel nog bergaf gaan. Sneller en sneller. Maar het rotsblok moest en zou ooit op het hoogste niveau rusten.

Hij wist dat hij er beter in was dan Sysyphus.

De tijd die men nodig heeft om terug naar de voet van de berg te stappen zodat je je schouder tegen een nieuw rotsblok kan zetten is de enige periode van zorgeloosheid, volgens Camus. Maar wat weet Camus daar nu van?

Zieke Arend had het nodig, het zweten en zwoegen, het snot en het kwijl, het dansen, het jagen, het vocht afdrijven en het bloed onder de nagels.

Zieke Arend wou zijn rotsblok op het hoogste punt van de Mount Everest zien. Of toch minstens de Mont Blanc. Welk één doel.

Want als de last dan, net voor het hoogste punt van de hoogste berg bereikt is, wegglijdt en naar beneden rolt, dan is het een lange weg terug naar omlaag, naar de voet, terug naar af.

De ober met de kreeftenklauwtjes kwam zijn biefstuk brengen. Nadat hij hem met zorg had nedergezet klakte hij eens met de hakken en eens met de tong. Zieke Arend knikte.

Hij nam een hap, kauwde kalm (en nonchalant) en slikte toen door. De steak was niet perfect, maar wel lekker.

Advertenties
Dit bericht werd geplaatst in Kortverhalen, Tekst en getagged met , , , . Maak dit favoriet permalink.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s