Zand erover

Een kortverhaal dat ik schreef kort na de begrafenis van mijn tante.

Het verhaal werd eerder gepubliceerd in december 2010 in Weirdos Jaargang 23 nr. 4.

Niet alles wat hier staat is de waarheid.

Zand erover

De goegemeente stroomt toe: familie en vrienden en supporters voor de zaak. Hun vachten voor de gelegenheid integraal zwart. Vanavond of morgen leggen ze die weder af, om zich in een kleurrijker vedertooi te hijsen en te dansen en te vergeten.

Maar vandaag zijn ze hier, ’s morgens in de vroegte (voor een zaterdagochtend). Kraaien die het karkas kaal komen pikken, om het handjevol leugens dat de pastoor hen toewerpt gulzig te verorberen, om te teren op het verdriet van de nabestaanden.

“Liever zij dan wij.”

Zij zelf zien zich eerder als dolfijnen die kirrend de drenkelingen komen redden uit het zoutwatertranendal. Wel kudde, geen kraaien, geen dolfijnen, maar schapen.

Onze tante had een drankprobleem en daar wisten wij allen absoluut niets van. Nul de botten. Rien de knots. We zagen niet dat ze soms wat wankel vooruit waggelde en dat de alcohol een web van paarse aders over haar gezicht had geweven. We ontkenden dat ze onder het eten in familieverband op gezette tijden verdween naar de privacy van het toilet om aan een flesje wodka te lurken. Aan tafel, in het licht van de werkelijkheid, dronk ze water: “Plat graag.” We repten geen woord over haar stinkende adem, haar gebrabbel, het verlet.

Af en toe maakte er iemand aanstalten om in haar potje te roeren maar dan drukte een ander dat weer stevig dicht. “Wij wisten van niets.” “Wir haben es nicht gewusst”. “Arbeit macht frei.” Und Tod? Tod verriegelt oben Wahrheit… Net zoals fictie.

Het nieuws was qua inhoud niet onverwacht maar het kwam wel snel. De stem van mijn vader, haar broer, krabbelde broos door de mobiele telefoonhoorn. Ik besefte de impact die haar verscheiden op hem had nog niet en dacht enkel aan mezelf: “Fuck, helemaal naar huis voor een begrafenis! En ik heb nu al geen tijd.”

Een excuus was snel gevonden: “Ik moet werken.”.

Vader besloot nog wat te protesteren. Hij wist wel dat ik ’s nachts moest werken maar in zijn lang vervlogen verleden, toen hij jong en imposant was, kon hij nachtenlang doorgaan zonder platte rust. Als ik het zo hoor was slaap een schaars goed in de jaren ’80, net zoals olie en niet-radioactieve spinazie.

Uiteindelijk nam hij afscheid met een knik in zijn stem en een knak in de virtuele telefoonlijn.

Even later een SMS. Hij zou toch graag hebben dat ik kwam.

En waarom begot? Om dezelfde hypocriete zever aan te horen als wanneer mijn grootvader ter aarde werd besteld? Een zuiplap en een atheïst van het zuiverste bier (maar wel boordevol kwinkslagen en elixir) die ze het leven van een goed man en een bekering tot het Christendom aansmeerden op het laatste nippertje voor de man met de zeis hem incasseerde. Het was voor de goegemeente maar een klein detail dat hij zijn laatste weken in coma had doorgebracht. En bovendien: grootmoeder kikkerde op van de leugen.

Deze kerkdienst zou anders zijn werd me verzekerd. “Je neef en nicht steken hem in elkaar, het wordt iets alternatiefs, met live muziek.”

Als ik iets alternatiefs met live muziek wou bijwonen ging ik wel naar Rock Werchter. En ik zag daar al met plezier van af.

De tante liet me ook kouder dan haar lijk al was. “Zou het niet hypocriet zijn haar begraving bij te wonen wanneer ik zo weinig goede woorden voor haar veil had?”, dacht ik, een platitude in mijn kraam passend. Ja, ik had een deel van mijn jeugd spelend doorgebracht met haar kinderen, onder haar dak. Ze was toen al bazig geweest en iets te hysterisch naar mijn smaak. Stuurloos ook: schelpjes verzamelen, pluviometers ophangen om de resultaten daarvan te bestuderen, genoeg wollen pantoffels breien om een heel regiment voeten der eenzame wederhelften van dronken familieleden warm te houden terwijl ze bevend in bed wachtten op een zatte wip in de walm van een stinkende asem.

Maar schelpjes en meteorologische verschijnselen en breipatronen bleken niet genoeg. Enkel drank kon de leegte vullen. Spijtig dat je drank weer uitpist. De mens: een vat der Danaïden, zijn frustratie en spijt kruiken aanslepend met water van die lekkere Lethe.

Ik wist wel waarom ik aanwezig moest zijn: voor “De Mensen”. Diezelfde “Mensen” die op bijna bovennatuurlijke manier alles lijken te zien, horen en door te vertellen en die het een schande zouden vinden dat een directe bloedverwant het aandurft zijn tronie niet te tonen op de begrafenis van een goed mens. Ze leken ook modebewust, “De Mensen”, want grootmoeder ordonneerde me tijdens een veel te korte jeugd dat ik mijn haar moest kammen of een andere broek moest aantrekken, want wat zouden “Zij” wel niet zeggen?

Ik dacht aan pony’s die op de kermis staan en talloze telgen van ons mensenras op hun gebroken ruggen getorst hebben. Ik besloot te weigeren mee te draaien in hun circus.

Nadien het telefoontje: mijn nicht. Ik moest toch maar eens naar mijn vader bellen. Hij zag ervan af, van de hele zaak. Niet dat hij het zo zou laten, hij leed, net zoals Christus, Onze Heer.  Ik rappelleerde me dat andere mensen ook emoties hadden. Ons zwijgen over tante fles begon me te dagen en ook de consequenties dat dat nu moest hebben voor vaders gemoed. Hij was één van de weinigen die moeite had gedaan om bewijzen op tafel te zwieren. Waarschijnlijk dacht hij dat er nog tijd te over was om met haar te praten, om haar om te praten. Morgen kwam er nog een dag en hij zou die plukken. Hij zou haar er wel doorgesleurd hebben, maar dat was buiten de waard gerekend. Hij moest wel gebukt lopen onder schuldgevoel. En hij heeft al last van zijn rug.

Ik zou hem bellen, dat stond vast, maar mijn nicht was nog maar half overtuigd en trachtte me te paaien met zin voor proportie en realiteit. (“Voor jou was het maar een afwezige tante, voor mij was het mijn moeder. Ik begrijp dat wel hoor. Voor mij hoef je niet te komen.”) Ook begrip werd in stelling gebracht. (“Ik begrijp wel dat je iets tegen alcoholverslavingen hebt en dat je je van de familie wil losmaken.”)

Vreemd dat verhuizen naar een andere stad om praktische redenen en het hebben van een te druk leven om elke week bij grootmoeder langs te gaan worden geïnterpreteerd als de drang om je af te scheuren van de stamboom. Nog vreemder dat desinteresse geïnterpreteerd wordt als een idealistische visie op drankverbruik. Zeker gezien de noeste arbeid die mijn persoonlijke lever op regelmatige basis presteert. Een rouwend brein maakt rare sprongen.

Maar soit: mijn vader leed  aan tekortkomingen die hij zich zelf had opgelegd en het zou erg zijn dat ik later mijn eigen kas zou opvreten uit wroeging wegens het teleurstellen van papa. Kleine jongetjes willen nu eenmaal de goedkeuring van hun vader. Ik zou een etmaal uit mijn drukke werkschema amputeren en offeren aan de goden van de onderwereld.

De kijklustigen verzamelen aan de kerk. Een bonte steekproef van onze genenpoel troept samen, aangetrouwde exemplaren incluis. Zelfs de ex-man van tante, die een tiental jaren geleden geweigerd had te blijven toekijken terwijl ze zichzelf het graf in zoop en daarom blik en pik had afgewend, is aanwezig. Hij houdt zijn ogen niet droog.

Mijn neef vergelijkt mijn zwartfluwelen pak met dat van een Gentse misdaadschrijver.

Eenmaal binnen ga ik bij het dochtertje van mijn vaders vriendin zitten. Ze zit er een beetje verloren bij. Het kind is nog maar een twaalftal jaren oud en kan me nog kritiekloos adoreren. Geen kennis van zaken. Dat moet minstens beloond worden met wat grapjes om haar van de saaie gebeurtenis te ontlasten.

Ik heb nog maar twee plezanterieën afgevuurd wanneer ik besef dat men borsten moet hebben om aan deze kant van de kerk te zitten. Mijn plaats is aan de andere kant van het gangpad: bij de venten.

Kerkelijke tradities: nooit te verlegen om wat moeilijk is nog moeilijker te maken.

Ik loop dus over naar de kant van de mannen. Mannen die hun uiterste best doen om hun emoties opgekropt te houden. Allen perfecte voorbeelden van het in hun generatie zo rijkelijk aanwezige onvermogen tot het tonen van gevoelens. Gelukkig zijn er nog zekerheden in het leven.

Mijn vader zit naast mij. Hij zal straks een zelfgeschreven tekst voorlezen. Mijn maag voelt aan als de inhoud van een ontdooide diepvrieskoffer vol vis, curieworsten en Dr. Oetker Pizza’s. Ik weet zeker dat hij zal huilen.

Soms overschatten mensen hun capaciteiten omdat ze denken dat ze een plicht moeten volbrengen. De toeschouwers zullen smullen en mijn gevoel van ongemakkelijkheid heeft meer  te maken met het feit dat ik ze dat niet gun dan met angst om mijn vader te zien falen. Dat heb ik al gezien en ik verkies de af en toe menselijk falende vader boven de vader die eertijds overkwam alsof hij de waarheid zelve belichaamde.

Een Saxofonist zet een lied in: alternatieve dienst, remember? Op zich allemaal goed en wel maar dankzij zijn getoeter verwacht ik elk moment Mark Knopfler te horen losbarsten in een lofzang op zwembaden, Midden-Oosterse heersers, Shakespeariaanse drama’s of Rawk in het algemeen.

Het zal niet de laatste keer zijn dat deze man tijdens de dienst een deuntje droedelt.

Een pastoor die van een andere parochie was overgevlogen omdat de inheemse pastoor geen oren had naar alternatieve diensten heft de armen en spreekt ons, de horde van De Heer, toe.

De gebruikelijke pastoor schuifelt achter het altaar rond en verricht daar allerhande onduidelijke rituelen. Ondertussen houdt hij zijn collega en broeder nauwlettend in het vizier, hopend hem te betrappen op het overschrijden van de schreef.

Mijn neef en nicht hadden de oude aasgier gevraagd om weg te blijven maar dat was blijkbaar te veel gevraagd voor zijn barmhartige ziel.

Mijn neef en nicht, halve wezen nu, lezen teksten voor en slagen erin tranen te vermijden. En verdomd als die teksten mij niets doen.

Ik probeer mezelf krampachtig voor te wenden dat dit gedoe me niet raakt en concentreer me op de saxofonist en de gedachte dat de Kerk de uitvinder van de wereldomspannende franchisestructuur is. Het baat amper.

Een tekst van mijn tante zelf nu. Uit haar dagboek. Onkies misschien maar ik zou het ook niet kunnen laten om daarin op zoek te gaan naar tekenen van schuldbesef en/of liefde.

Wees gerust dat ze hun teken gevonden hebben: een nog niet eens zo slecht geschreven tekst waarin de moeder tegelijkertijd haar wanhoop om de allesverslindende drankzucht, haar onvoorwaardelijke liefde voor haar nageslacht en haar schuldgevoel dat onmetelijk blijkt op het blad slingerde.

Aan de andere kant: papier lust even graag leugens als waarheid.

Gelukkig is mijn ongenaakbaarheid geen masker, of ik zou nog medeleven voelen.

Vreemd ook dat na haar dood de drankzucht wel benoemd mag worden. In de kerk dan nog. Rekende mijn familie op het bekende adagium dat men van de doden niets dan goed mag spreken? Als haar geflirt met de fles bij leven aan het licht zou zijn gekomen dan had men er schande van gesproken. Nu spreekt men enkel medelijden.

“Innige deelneming”.

En verdomd als het niet waar is: we zullen hier als helden uitkomen!

“Ze zullen er wel van afgezien hebben.”

“En nooit tegen iemand geklaagd!”

We kunnen doen alsof we ons leed in stilte en met waardigheid hebben gedragen terwijl we het mijden als lepra en ons van krommen haas gebaarden.

Wie lang genoeg zwijgt wordt ongetwijfeld ooit een held.

En dan nu: het Moment de gloire van mijn padre. Terwijl hij richting katheder stapt herinner ik me zijn drang om op feestelijke gelegenheden en op kaartjes voor divers gewens een vorm van rijm te gebruiken die ik nog het meeste associeer met mijn eerste nieuwjaarsbrief. Aiai.

Zijn persoonlijke vorm van dichten houdt in dat grammatica en zinsconstructie het moeten ontgelden ten voordele van het rijmschema. Een schema dat koste wat kost moet kloppen: A-A-B-B-C-C-etcetera. Een vorm van dwangrijm dus.

Gelukkig ben ik er al aan gewend dat mijn vrees wordt bewaarheid.

En toen ik werd soldaat

Stond je ook voor mij paraat

Het ziet er even naar uit dat mijn verwekker het einde van zijn rammelrijm zal halen zonder waterlanders maar in de laatste rechte lijn stokt zijn adem, brengt hij een geluid voort als van een zinkende zeekoe en barst hij in tranen uit.

Hij rondt zijn rijmelarij schokkend en snikkend af. Het publiek kijkt ademloos toe: eindelijk wat zoete koek.

Wanneer hij weer naast me zit knijp ik een kwartier in zijn knie.

Omdat de aanwezigen ook de kans moeten krijgen op hun moment in de schijnwerpers mogen zij de as komen groeten en later ook nog een hostie in ontvangst nemen.

Begrafenisondernemers die hun best doen een karikatuur van hun beroepstak te benaderen leiden hen in goede banen.

De poppenstoet trekt hier voorbij. De meeste deelnemers zoeken oogcontact met ons, de nabestaanden, druk doende een boodschap telefonerend: “Hebt ge ’t gezien? Ik ben hier ook!”.

Een bont allegaartje, dat wel. Oude dames zijn er, die het Lichaam van Christus nog steeds het liefste op de tong gelegd krijgen, onderwijl een soort knieval ondernemend die wel nefast moet zijn voor hun reumatische knoken. Een beweging die ook de vader van mijn vaders vriendin pleegt te moeten ondernemen, even zijn plastieken heup vergetend en een pirouette makend die me terugvoert naar Monty Phyton’s “Ministry of silly walks”.

Daar is ook Mong Van Rossem, een collega van mijn vader die niet echt “Van Rossem” heet. Hij heeft die bijnaam verdiend na het oprichten van een beleggersclub voor zijn collega’s. Zijn eerste daad als voorzitter was al de aanwezige financiën in aandelen van Euro-Disney investeren. In tijden van Fortis lachen we daar om.

Leden van de marginale, en in mijn ogen meest entertainende tak van de familie, zijn ook van de partij: de tante van mijn tante: ex-bordeelhoudster, haar in en uit de bak roterende zoon met paaldansende vriendin, zijn zuster die dankzij een ongeval in de prille tienerjaren het gebruik van een hand en het deeltje hersenweefsel dat de snelheid van iemands spreken reguleert moet ontberen, nog een zus in de vorm van een circustent, trotse grootmoeder van Branco, in het watercloset geboren uit een veertienjarig tonnetje en de Pater Familias, gezegend met het onvermogen om over iets anders te converseren dan de hoeveelheid geld en bezittingen die de zijne zijn of over de geneugten van de vrouwelijke soort.

De pastoor rondt af en het volk wordt door de buigende en “hierheen-alstublieft”-gebaren makende begrafenisbobo’s de kerk uitgeleid.

De leegloop van de kerken en de daarmee gepaard gaande verloren kennis omtrent de voorgeschreven rituelen zorgen ervoor dat mijn familie prompt vergeet de huiswaarts stromende ramptoeristen te groeten bij het verlaten van Gods huis.

Zich een tweede kans ontzegd gezien om hun aanwezigheid aan ons kenbaar te maken wordt er wat afgemord en later zullen ze dat op mekaar uitwerken in besloten kring.

In de wagen op weg naar het kerkhof heerst de stilte. Iets wat gepast en voor de hand liggend lijkt voor ieder van ons buiten mijn zuster.

“Hebt ge ’t gezien? Die van mijn werk waren hier ook!”

Niemand antwoordt.

Mijn zus heeft op haar werk twee weken ziekteverlof gekregen. Zomaar. Vanzelf. Ze mag dan in de sociale sector werken maar ik heb nog nooit gehoord van collega’s die zo medelevend blijken dat ze voor het overlijden van een tante twee weken lang de shifts van een medewerker er bijnemen in een zo al zwaar onderbemande sector.

Ik verdenk haar er stilletjes van om genoeg hysterisch spel gemaakt te hebben zodat de collega’s onderhand al hopen op een verlenging van haar twee weken absentie.

Stilletjes, want zwijgen is goud, vooral in de begrafenisstoet.

De plechtigheid op het kerkhof verloopt vrij rimpelloos buiten de gooi naar macht die de uitgerangeerde pastoor nog doet door toch nog een woordje te willen placeren en de ongewild lange rij handjes die de aanwezigen moeten schudden omdat ook verre familieleden een plaats bemachtigd hebben in de rij met te groeten rouwenden.

Ik houd me wat afzijdig met een sigaret en het lief van mijn nicht die ik er geen klein beetje van verdenk het fundament te zijn van haar vermogen zich erdoor te slaan.

Op de koffietafel vertelt de Pater Familias van de minder sociaal aangepaste familiehelft me over de hoeveelheid koersfietsen die hij in zijn bezit heeft en maakt me daarbij ongewild aan het lachen. Mijn nonkel probeert het lief van mijn neef te imponeren en mijn grootmoeder biedt de uit zijn eigen kerk ge-elleboogde pastoor een plaats aan de hoofddis aan. Zij dweilt immers zijn werkplek in de hoop op een plaatsje in de hemel en moet op goede voet met hem knielen.

Er wordt commentaar gegeven op het bedienend personeel en de kwaliteit van de broodjes en al gauw neigen de gesprekken weer tot de gangbare trivialiteiten eigen aan elke familie.

Alle zwakheden, misstappen en kleinsmenselijkheden die ik vandaag registreerde spelen voor mijn ogen. Wat ik zie is echt. En wat echt is snijdt dieper en heeft meer vermogen ter ontroering. Niet dat ik dat uitspreek. In familieverband worden dingen pas uitgesproken als men genoeg gedronken of een glas teveel op heeft.

Misschien later.

Terwijl ik sta te wachten tot de parochiezaaluitbaatster een extra stoel voor me aansleept staat de rechtmatige eigenaar van deze parochie op om de weduwenaar te wenken.

Hij doet dat met een intonatie waarvan hij waarschijnlijk Christus, onze Heer, verdenkt en met wenkbewegingen die niet zouden misstaan bij een etalagepop.

Ik ga achter hem staan en imiteer zijn gewenk en gewuif en heb al snel enkele genieperige lachers op mijn gestrekte hand.

Maar ik bekommer me niet om het komisch effect. Ik wuif mijn tante uit.

Advertenties
Dit bericht werd geplaatst in Kortverhalen, Tekst en getagged met , , , . Maak dit favoriet permalink.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s